Vraag 22

Antwoord:

Door: Garmt de Vries-Uiterweerd | Datum: Maandag 18 mei 2026, 10:30 uur

@Mark: leerling beredeneert dat B het sterkst moet zijn linksonder. Dat kost bol 2. Consequente keuze voor plaatje III levert daarna gewoon bol 3 op, je hoeft voor bol 3 helemaal niet meer te kijken naar de uitleg die eerder gegeven is. Zolang er maar uitleg is gegeven bij grootte en richting van B, kan bol 3 verdiend worden. Die uitleg moet natuurlijk wel meer zijn dan simpelweg stellen dat B linksonder het grootst is, maar dat is bij jouw leerling wel in orde.

Door: Garmt de Vries-Uiterweerd | Datum: Maandag 18 mei 2026, 10:32 uur

@Reeuwerd: nee, dat is niet bol 2 waard. Voor bol 2 moet je echt het verband tussen veldsterkte en kromtestraal zien. "Sneller elektron heeft grotere F_L en dus grotere B nodig" laat dat verband niet zien. Je bent dan nog steeds snelle met langzame elektronen aan het vergelijken en daar gaat deze vraag niet om.

Door: Bastiaan Barbieri | Datum: Maandag 18 mei 2026, 17:52 uur (Bewerkt op: 18-05-2026 17:53)

Ik zie leerlingen die dan met de linkerhandregel de richting van het B-veld bepalen (dus bol 1) en dan vervolgens op basis van een verkeerde beredenering (bijvoorbeeld dat voor snelle elektronen de v hoger en dus de Fmpz groter is/ dat volgens formule 1 bij een grotere v een grotere B hoort) een plaatje kiezen. Bol 2 mis je dan sowieso, maar kan bol 3 dan wel? Ondanks dat de route voor het gekozen plaatje fysisch onjuist. Mijn vraag is dan dus eigenlijk in hoeverre de keuze consequent kan zijn als de onderbouwing rammelt. 

Door: Garmt de Vries-Uiterweerd | Datum: Maandag 18 mei 2026, 18:51 uur

Bastiaan, zie de opmerking in de NVON-notulen:

"Let op: de opmerking slaat op de aanwezigheid van een redenering, niet op de juistheid ervan; bol 3 mag worden toegekend als een consequente figuur is gekozen bij omgekeerde B’s, v’s en F’s; bol 3 lijkt de tekenconventies te controleren."

Dus het maakt niet uit hoe de leerling aan een richting en grootte is gekomen, voor bol 3 moet hij het plaatje kiezen dat past bij de richting en grootte die hij noemt. Voor bol 3 moet je dus weten wat stipjes/kruisjes en veldlijndichtheid betekenen.

Absurd voorbeeld:

"Links onder komen meer elektronen langs, dus daar is B het grootst. Doordat een sterker magneetveld zwaarder is, zakt het omlaag, dus is het papier in gericht. Het is dus plaatje I." Bol 1 en 2 niet behaald, maar bol 3 wel, ondanks de volslagen kolder bij de uitleg.

Door: Matthijs Toussaint | Datum: Dinsdag 19 mei 2026, 14:08 uur

Opvallend is er best wat leerlingen zijn die de kruisjes als +-lading interpreteren en gaan redeneren met aantrekkingskracht van lading. Komen jullie dat ook tegen? Dit had w.m.b. duiderlijker gemogen...

Door: Garmt de Vries-Uiterweerd | Datum: Dinsdag 19 mei 2026, 15:42 uur

Ja, die heb ik ook wel gezien. Hier schiet echt niet de vraagstelling tekort, maar vooral de parate kennis van de leerling.

Bij de tumor had ik er een die als voorwaarde bedacht had dat de tumor positronen moest bevatten, zodat die konden annihileren met de elektronen. 

Door: Ruben Koster | Datum: Woensdag 20 mei 2026, 15:01 uur

Ik heb geen leerlingen die het als lading zien, maar wel eentje die de puntjes met de cirkel eromheen als de richting van de stroom ziet. Volgens mij is de conventie namelijk kruisje = in, puntje = uit, voor magnetische veldlijnen. Als er een rondje omheen staat, is het de stroom die het papier in of uitgaat. Maar ik zie dat online de verschillende notaties door elkaar worden gebruikt. Dom is het wel om te denken dat er stroom loopt, omdat het over het magneetveld gaat, maar wat is de juiste tekenconventie?

Door: Garmt de Vries-Uiterweerd | Datum: Woensdag 20 mei 2026, 18:46 uur

Wel of geen rondje staat volgens mij inderdaad in sommige boeken als onderscheid tussen stroom en magnetisch veld, maar dat is (ook weer volgens mij) helemaal geen standaardconventie. Hoe moet het dan als de Lorentzkracht het papier uit staat? Een puntje met een vierkantje eromheen? Goed lezen en weten wat stipje/kruisje betekent, dan weet je voldoende.

Door: J van de Kuil | Datum: Woensdag 20 mei 2026, 23:57 uur (Bewerkt op: 21-05-2026 00:00)

Ik vind de opmerking van NVON niet terecht. Die opmerking is alleen zinnig als je de vraag interpreteert als een vraag naar de VORM van de banen. Maar in dat geval was het niet nodig geweest om zowel een snelle als een langzame baan te tekenen want dan was één baan genoeg geweest om te kunnen kiezen tussen III versus IV.

Door wél twee banen te tekenen en die banen expliciet "snel" en "langzaam" te noemen, terwijl de vorige opgave ook oover snel versus langzaam gaat en bovendien in de inleiding ook expliciet over snel en langzaam gesproken wordt, hebben ze er een vraag van gemaakt die niet meer over de vorm van de baan gaat maar over het verschil tussen snel en langzaam. Dan is dus "snellere elektronen hebben een grotere B nodig" wel voldoende om te kiezen voor IV en niet voor III.

Als ze echt een vraag wilden stellen over de vorm van de banen hadden ze de inleiding aan moeten passen, in de tekening slechts één baan moeten tekenen en in de vraag explicitet naar de vorm moeten vragen: "welk van de velden kan de vorm van de baan verklaren?". Dan was voor het antwoord een uitspraak over de relatie tussen r en B noodzakelijk geweest. 

 

 

Door: Geert van Schepen | Datum: Donderdag 21 mei 2026, 01:49 uur (Bewerkt op: 21-05-2026 01:49)

Eens met J. van de Kuil.

Het klopt weliswaar dat voor zowel langzame als snelle elektronen de afbuiging sterker wordt naarmate je meer richting rechtsboven gaat, maar het zijn de snelle elektronen die de grootste veldlijnendichtheid voor de kiezen krijgen. Dat deze match klopt lijkt mij voldoende inzicht voor de 2e bol. Wanneer een leerling de zin uit de kringbespreking schrijft (“snellere elektronen hebben een sterker magneetveld nodig”) mag je veronderstellen dat de leerling inziet dat een pad van dezelfde vorm bij een hogere snelheid alleen te verwezenlijken is met een sterker magneetveld op de plek waar de snellere deeltjes wel komen en de langzamere deeltjes niet.