Vraag 22

Antwoord:

Door: Garmt de Vries-Uiterweerd | Datum: Donderdag 21 mei 2026, 08:12 uur

Ik ben het met J. van de Kuil eens dat de vraag helderder gesteld had kunnen worden (zoals wel meer vragen in dit examen). Maar de bedoeling was niet om te vragen naar het effect van de snelheid, anders had dat wel in bol 2 gestaan. Bol 2 wil inzicht zien in het verband tussen r en B, dus dat is waar de vraag over gaat.

Door: Geert van Schepen | Datum: Donderdag 21 mei 2026, 14:56 uur (Bewerkt op: 21-05-2026 17:17)

"Snellere elektronen hebben een sterker magneetveld nodig" is gewoon een goed (deel)antwoord op de vraag "Leg uit welk magneetveld in figuur 5 (I, II, III of IV) geschikt is om de elektronen de banen van figuur 4 te laten volgen" aangezien zonder grotere B rechtsboven een sneller elektron niet 270° zou afbuigen om weer in punt P terecht te komen. En bij een goed antwoord horen de punten toegekend te worden. Je kan niet van leerlingen verlangen dat ze kennis nemen van bol 2 om de bedoeling van de examenmakers te achterhalen.

Toevoeging: ik weet dat deze vraag zonder de snelheid beantwoord kan worden, daar gaat het niet om. Maar de vraag kan óók o.b.v. de snelheid legitiem beantwoord worden. Want ook al neemt B toe bij beide deeltjes (langzaam en snel) als je meer richting rechtsboven gaat, als je langzaam met snel vergelijkt zie je dat B nóg meer moet toenemen voor het snelle deeltje. Als er slechts één deeltje (één pad) in het magneetveld te zien was dan moest de leerling redeneren o.b.v. het verband tussen r en B, maar met deze twee paden kan het ook o.b.v. het verband tussen v en B.

Door: Schut-den Haan | Datum: Zaterdag 23 mei 2026, 12:50 uur

Vinden jullie een antwoord: IV want door de rechterhandregel voldoende voor bol 1? Ik eigenlijk niet.