Proef 2M-5.2a: De vlakke spiegel

3 december

Doel van de proef: de leerlingen weten wat de normaal op een spiegel is, wat de hoek van inval i en de hoek van terugkaatsing t is. Ze weten dat bij spiegelende terugkaatsing de hoek van terugkaatsing gelijk is aan de hoek van inval.

Vorige Volgende

Benodigdheden:

Uit de optiekset (in de lestrolley)

  • Lichtkastje met voorzet lens (die maakt de lichtbundel evenwijdig)
  • Plaatje met één spleet
  • Vlakke spiegel
  • Papier met gradenboog (cirkel)
  • Vier ronde magneten

Uitvoering: Zet de spiegel in het middel van de gradenboog-cirkel. Zorg ervoor dat de voorkant van de spiegel precies op de lijn staat die van 90 naar 270 graden loopt. Geef aan dat de lijn daar loodrecht op, die van 0 naar 180 graden loopt, de normaal wordt genoemd.

Zet het plaatje met één spleet in het lichtkastje, vóór de lens. Als het lampje in het lichtkastje brandt, produceert het nu een smalle bundel licht, die we als lichtstraal beschouwen. Richt de lichtstraal op het punt van de spiegel waar de normaal is getekend. Lees de hoek van inval i en de hoek van terugkaatsing t af. Het haal de proef bij bijvoorbeeld drie verschillende hoeken van inval en trek de conclusie: hoek i = hoek t.

NB. Als u een kopie van de gradenboog hebt, kunt u een invallende en teruggekaatste lichtstaal daarop tekenen, met bijbehorende hoeken.

Mogelijke begripsproblemen bij leerlingen: Leerlingen hebben de neiging om de hoek tussen de spiegel en de invallende lichtstraal als hoek van inval te nemen. Geef aan dat dat niet zozeer fout, maar ongebruikelijk is in de natuurkunde: daar wordt de hoek met de normaal genomen. Verder ligt het voor leerlingen voor de hand om de hoek van terugkaatsing de hoek van uitval te noemen, analoog met de hoek van inval.

Leswerk