1M Hoofdstuk 2: Lengte, oppervlakte en volume

11 juni

Hier vindt u vier demonstratieproeven over lengte, oppervlakte en volume.

Hoofdstuk 2: Lengte, oppervlakte en volume

Proef 2.1 Lengtemeetinstrumenten

Demonstratieproef bij Natuurkunde voor Nu en Straks 1m (cd), hoofdstuk 2, par. 1 Schatten of meten. De docent toont hoe je verschillende instrumenten voor lengtebepaling, zoals de rolmaat, de duimstok en de geodriehoek, in de praktijk gebruikt om lengtes op te meten.

Zie voor de uitvoering, de praktische en de didactische aanwijzingen bij deze demo Proef 2.1 Lengtemeetinstrumenten

Proef 2.2 Maak je eigen meetlint

Demonstratieproef bij Natuurkunde voor Nu en Straks 1m (cd), hoofdstuk 2, par. 2 Lengtebepaling.

Aanvullende leerlingactiviteit: de leerlingen maken een meetlint van papier. Daarna meten ze ermee een aantal voorwerpen uit de klas op. Laat ze hun eigengemaakte meetlint zorgvuldig bewaren, want ze komen ook van pas bij de proeven 2.3 en 2.4.

Zie voor de uitvoering, de praktische en de didactische aanwijzingen bij deze demo Proef 2.2 Maak je eigen meetlint

Aanvulling: Surinaamse context: de ‘ketting’. Voor deze activiteit is een stuk touw van tenminste 21 meter nodig.

De ketting, een lengtemaat die in Suriname nog wel wordt gebruikt, is afgeleid van een oude Nederlandse maat, de Rijnlandse voet: 1 ketting = 66 Rijnlandse voet = 20,72 m.

Een leerling(engroep) kan een lang touw maken van precies een ketting (20,72 m) lengte, verdeeld in 66 Rijnlandse voeten (31,4 cm). Daarmee kunnen ze bijvoorbeeld de lengte van het perceel waarop hun ouderlijk huis staat opmeten.

Proef 2.3 Oppervlakte en tegels

Demonstratieproef bij Natuurkunde voor Nu en Straks 1m (cd), hoofdstuk 2, par. 3 Oppervlaktebepaling.

Zie voor de uitvoering, de praktische en de didactische aanwijzingen bij deze demo Proef 2.3 Oppervlakte en tegels

De leerlingen leren de grootte van het oppervlak te bepalen (of te schatten) door het bedekken van een grote tegel met kleinere tegels, wat leidt tot het meten van lengte en breedte en de formule voor oppervlakte van een rechthoek.

Aanvulling: Surinaamse context

De leerlingen krijgen de huiswerkopdracht het oppervlak van het perceel van hun huis te bepalen in m2 [uitbreiding: ook in vierkante ketting].

Uitdagende extra opdracht: De leerlingen bepalen door aan de hand van een kaart van Suriname met gegeven, eenvoudige schaal (liefst: 1 cm = 1 km) de oppervlakte van het land Suriname. [uitbreiding: ter vergelijking schatten ze ook de oppervlakte van een ander, wat grilliger gevormd, land zoals Brazilië of Nederland.]

Proef 2.4 Drie manieren om volume te meten

Demonstratieproef bij Natuurkunde voor Nu en Straks 1m (cd), hoofdstuk 2, par. 4 Volumebepaling

Zie voor de uitvoering, de praktische en de didactische aanwijzingen bij deze demo Proef 2.4 Drie manieren om volume te meten

Het doel van deze proef is te leren waarop je het volume van een blokvormig voorwerp, van een hoeveelheid vloeistof en van een willekeurig gevormd voorwerp kunt meten.

Alternatief voor Manier 2: de leerlingproef 1 (hoe meet je met een maatglas?) op blz. 130 – 131 van ‘Natuurkunde voor nu en straks 1m (cd)’.

Aanvulling bij Manier 2: ijken van waterflesjes met slechts één maatcilinder

Bij het ijken van hun waterflesje hebben leerlingen een geijkte maatcilinder of maatbeker nodig. Als u over slechts één maatcilinder in de klas beschikt, moeten groepjes (te) lang wachten als ze de maatcilinder willen gebruiken. U kunt dan de volgende werkwijze volgen:

  1. Laat leerlingen samenwerking in groepjes van drie
  2. Laat bovendien drie groepjes van drie met elkaar samenwerken: de groepjes 1A, 1B en 1C;  daarnaast zijn er de groepjes 2A, 2B, 2C; 3A etc.
  3. Groepje 1A krijgt de maatcilinder, doet er 50 ml in, giet die over in het flesje en geeft de maatcilinder door aan groepje 2A.
  4. Groepje 1A zet de streep van 50 ml op zijn flesje en giet het water dan over in het flesje van groepje 1B. Die geeft de 50 ml weer door aan groepje 1C.
  5. Vervolgens vult groepje 1A zijn flesje weer met 50 ml water gebruik makend van de eerder gezette maatstreep. Dat water giet hij erbij in het flesje van 1C, die het streepje 100 ml kan neerzetten. 1C giet de 100ml over in het flesje van 1B, streepje, weer naar 1A. Nu vult B zijn fles met 50 ml en gooit dat er bij A bij, enz. Zo worden de flesjes van de drie groepen allemaal geijkt.

Leswerk