Proef 1M 12.1 De druk van 250 mL water

20 mei

Doel van de proef: de leerlingen weten dat de druk op de bodem van een vat niet door de hoeveelheid water, maar door de hoogte van het water in het vat bepaald wordt.

Benodigdheden:

  • Maatbeker 250 mL
  • Maatbeker 500 mL
  • Maatcilinder 250 mL
  • meetlat

Uitvoering:

Zet de bekerglazen en de maatcilinder voor de klas en vul ze alle drie met 250 mL water. Laat leerlingen de stand van het water aflezen. Vraag vervolgens:

  1. Hoe groot is de massa van het water?
  2. Hoe groot is de kracht die het water uitoefent op de bodem van bekerglas 1, van bekerglas 2, van de maatcilinder?
  3. Op welke bodem is de druk van het water het grootste? Waarom?

Vervolgens kan je vragen hoe je de druk op de bodem van de maatcilinder kunt berekenen. Wat moet je daarvoor opmeten?
De leerlingen kunnen de berekening dan uitvoeren voor de drie vaten.

Aanvulling: meet de hoogte \(h\) van het water op. En laat door berekening zien dat de druk in de vaten ook berekend kan worden met de formule \(F_z \cdot h\). (of, wat hetzelfde is, \(m \cdot g \cdot h\)).

Leswerk