Antwoord: |
||
|---|---|---|
|
Door: Anita Driessen
|
Datum:
Woensdag
13
mei
2026,
16:42 uur
Ik zie dat er in de landeljke bespreking geen opmerkingen waren bij deze vraag, maar ik weet nu zelf ook nog helemaal niet hoe het zit en met mij meerderen uit de commentaren te lezen - dus wie kan er uitsluitsel geven over hoe deze vraag na te kijken? Waarom wordt er niets over de stroomsterkte gezegd? |
||
|
Door: Frank van Rhijn
|
Datum:
Woensdag
13
mei
2026,
18:56 uur
Ik ben het eens met Jacco, als de weerstand groter wordt (door hogere temperatuur), is dat alleen maar mogelijk als er een groter vermogen is. |
||
|
Door: Garmt de Vries-Uiterweerd
|
Datum:
Woensdag
13
mei
2026,
21:23 uur
Eigenlijk zou je dan helemaal niets over U3 hoeven zeggen: hij is warmer dan nominaal, dus hogere temperatuur. Hadden ze hier nou maar gewoon om de spanning over L3 gevraagd... |
||
|
Door: Michiel van Duin
|
Datum:
Donderdag
14
mei
2026,
08:56 uur
"Alle voorbeelden die op een lager vermogen uit lijken te komen, gaan wel uit van een hogere weerstand. Maar die hogere weerstand krijgt het lampje alleen als het warmer is, dus als het een hoger vermogen heeft. Dus fysisch zijn al die voorbeelden volgens mij met zichzelf in tegenspraak." De uitkomst doet ook niet echt ter zake volgens mij. Het antwoordmodel gaat direct van spanning naar vermogen, zonder stroomsterkte in het antwoord te betrekken. Dat is een echte natuurkundige denkfout. Als je het netjes doet krijg je de formule P3=R3*Ut2/(0,5R1+R3)2 . Vervolgens moet je aannames doen over R1 en R3, waarbij je de invloed van de temperatuur moet schatten. De meest redelijke aannames leiden dan inderdaad tot een hoger vermogen. Als een examenmaker (een natuurkundige die in rust en zonder tijdsdruk kan werken) deze vraag zelf niet snapt, en een verkeerd antwoord in het CV zet, dan kunnen we van onze leerlingen niet verwachten dat ze dit goed doen. Mislukte vraag. |
||
|
Door: Coen Loermans
|
Datum:
Donderdag
14
mei
2026,
09:15 uur
Even los van de discussie over de vraag zelf, een vraag mbt tot het nakijken. Is bol 3 uberhaupt te scoren als er niks wordt gezegd over wat er met L1 en L2 gebeurt? Zo ja, wanneer is in dit geval een redenering consequent? |
||
|
Door: Pier Siersma
|
Datum:
Donderdag
14
mei
2026,
11:32 uur
(Bewerkt op: 14-05-2026 11:43)
In het voorbeeld antwoord wordt verwezen naar formule 1, maar deze geldt alleen bij gelijke ohmse weerstanden. Maar de weerstanden zijn niet gelijk, dus mag deze niet gebruikt worden. Dus het voorbeeld antwoord is onjuist. voor het nakijken: bolletje 1 en 2 zijn duidelijk. Bolletje 3, kan mijn inziens alleen als je ook iets zegt over de wet van Ohm en P = U * I. |
||
|
Door: Garmt de Vries-Uiterweerd
|
Datum:
Donderdag
14
mei
2026,
11:47 uur
Van een gloeilamp weten we allemaal dat een hogere spanning leidt tot een hoger vermogen. Hoe en waarom, daar stapt het cv ook lichtvoetig overheen. Maar ik kan me goed voorstellen dat een leerling een andere redenering opzet via wet van ohm en P = U·I en daarmee op een lager vermogen uitkomt... |
||
|
Door: van Helden
|
Datum:
Donderdag
14
mei
2026,
11:59 uur
Om de vraag beter te begrijpen heb ik een heleboel situaties doorgerekend. Ik heb geen enkel verband tussen R en T kunnen vinden waarbij het vermogen toeneemt bij een toegenomen temperatuur. Lineair, exponentieel of wortelverband. (in oude examens komen meerdere varianten voor) In alle gevallen is het effect op de verschuiving van verhouding tussen de spanning kleiner dan het effect door de afname van de stroom. Zodra de schakeling dus aan gaat start het lampje op het juiste vermogen en zodra de boel een klein beetje opwarmt neemt het vermogen van alle lampjes hoe dan ook af. In tegenstelling tot wat sommigen hier schrijven warmt de draad ook met een lager vermogen nog steeds op en krijgt een hogere weerstand. Interessant experiment zou zijn om te kijken of hierdoor een evenwicht ontstaat. Nu over de beoordeling. Het effect op de spanning is vele malen kleiner dan het effect op de stroom. Het is daarom niet nodig om de spanning te bespreken in het antwoord. Een antwoord zoals "de weerstand neemt toe (PTC), hierdoor neemt de stroom en daarmee het vermogen af (I=U/R & P=UI)" Lijkt me volledige punten op basis van regel 3.3. Eventueel kan een leerling met een onderbouwing toevoegen dat het effect op de spanning veel kleiner is, maar dit is niet nodig omdat volgens het correctiemodel niet alle grootheden bekeken hoeven te worden. |
||
|
Door: Hutjens
|
Datum:
Donderdag
14
mei
2026,
12:48 uur
(Bewerkt op: 14-05-2026 13:08)
Ik heb een poging gedaan om een formule op te stellen voor P3 afhankelijk van waarde R3 en R1. Vervolgens heb ik verschillende waarden ingevuld en met excel doorgerekend welk effect dit op P3 heeft. (Nu hopen dat de screenshots via Drive zichtbaar zijn voor jullie...) |
||
|
Door: Lenders
|
Datum:
Donderdag
14
mei
2026,
13:13 uur
Ik heb zelf ook maar s een poging gedaan om het wiskundig te bewijzen --> Je weet I1 + I2 =I3 dus 2xI1 = I3 --> 2x U1/R1 = U3/R3 --> R3 = 1/2 x U3/U1 x R1 Omdat je weet dat R3 > R1 (hogere temp.) moet 1/2 x U3/U1 > 1 dus U3 > 2x U1 . En vanwege de I,U curve weet je dan ook dat I groter is. Maar daar wordt in het c.v. nergens iets over gezegd.... |
||