Vraag 10

Antwoord:

Door: Anneke Thurlings-van der Lingen | Datum: Donderdag 14 mei 2026, 13:18 uur

bij vraag 8: 60 Ohm bestaat niet als je die zou willen kopen. Wel 56 Ohm met een tolerantie van 5% of 10 %. 

Door: Pier Siersma | Datum: Donderdag 14 mei 2026, 15:53 uur

Ik snap er tijdens het nakijken steeds minder van, hoeveel punten krijgt een leerling die zegt:

een lampjes als PTC heeft een grotere weerstand als hij warm wordt, door de grotere stroom heeft lampje 3 een grotere weerstand en via I = U/R is dus de stroom kleiner en dus het vermogen ook kleiner P = U * I.

deze leerling zegt niets over de veranderdede spanning maar wel stroom. 

Dus: bolletje 1 wel, 2 niet, maar 3 wel?

Door: Garmt de Vries-Uiterweerd | Datum: Donderdag 14 mei 2026, 16:48 uur

Voor bol 2 moet je echt L3 vergelijken met L1 en L2. Vrijwel al mijn leerlingen beschouwn L3 in isolatie en gaan dan stoeien met U=I·R, P=U·I en eventueel een groter geworden R. Dan is bol 2 onmogelijk en bol 3 op zijn minst heel erg lastig (heb ik in de praktijk ook niet kunnen toekennen).

Door: Edwin Oostra | Datum: Donderdag 14 mei 2026, 17:49 uur

Ik schrik ervan hoeveel collega's denken dat een PTC tegelijkertijd een hogere weerstand en een lager vermogen kan hebben.

Zelfs met wat een 6 VWO leerling moet/kan weten, is het redelijk eenvoudig te zien dat dat niet kan.

De temperatuur die ontstaat, ontstaat uiteraard het evenwicht tussen omgezette elektrische energie en uitgestraalde energie in/van de gloeidraad.

Hieruit volgt vrij eenvoudig via de wet van Stefan-Boltzmann dat de temperatuur van deze gloedraad dus evenredig is aan de vierdemachtswortel van het vermogen. (er vanuit gaande dat de uitzetting van het materiaal verwaarloosbaar is)

Er hoort dus bij een hoger vermogen altijd een hogere temperatuur (en vice versa) en omdat er gegeven is dat het PTC is, dus ook altijd een hogere weerstand.

 

Deze vraag is dus prima te beantwoorden.

We hoeven er niet vanuit te gaan dat leerlingen dit per sé allemaal weten, maar als ze dan afwijken van wat de opgave vraagt, dan moet het wel allemaal fysisch mogelijk zijn.

Door: Garmt de Vries-Uiterweerd | Datum: Donderdag 14 mei 2026, 18:29 uur

@Edwin: ik geloof niet dat collega's dat denken, ik zie vooral collega's die zich buigen over verklaringen van leerlingen en hoe daarmee om te gaan.

Door: Jante Salverda | Datum: Donderdag 14 mei 2026, 18:54 uur

Bij de kringbespreking heb ik gisteren begrepen dat je bol 3 mag toekennen voor een redenering die wel bol 1 maar niet bol 2 gebruikt. Dus bijvoorbeeld R groter en U gelijk dus I kleiner dus P = U*I kleiner. Of uitgaande van constante I ipv U en dan is U (=I*R) juist groter en P dus ook.
Zelf vind ik dat ook wel fair, er wordt toch het nodige gedaan voor 2 punten dan.
Ik weet niet waarom dit niet als opmerking in het verslag staat. Er was blijkbaar wel een opmerking die er van het CvTE weer uit moest worden gehaald maar dat zal dan niet deze geweest zijn anders had ik dat wel gehoord.

Door: Pier Siersma | Datum: Vrijdag 15 mei 2026, 09:29 uur

@Edwin

Wat ik vreemd vind is dat leerlingen iets mogen/moeten concluderen over het vermogen (P = U * I) zónder iets over de stroom te hoeven zeggen, want die verandert ook...
 

En fysisch klopt het: als ik het lampje nét aandoe is het 12V/2,4W. Vlak daarna neemt de temperatuur toe, de weerstand neemt toe, de stroom neemt af, de spanning neemt toe en daalt het vermogen. En dat weten mijn leerlingen nog net, deze lichting heb ik nog verteld over het doorbranden van gloeilampen.

Door: Mark Havermans | Datum: Vrijdag 15 mei 2026, 11:52 uur

Ik ben het toch wel geheel eens met Edwin. En toch ook verbaasd, zeker nadat Jacco Dankers volgens mij in een paar zinnen de spijker (zoals heel vaak) op de kop slaat.

Volgens mij kan een weerstand die warmer is, alleen maar warmer zijn omdat deze meer vermogen afneemt.

Door: Bart Schoenmaker | Datum: Zaterdag 16 mei 2026, 10:55 uur

Wat de lln (zouden moeten) weten is: er loopt meer stroom door L3 dan door L1, dus temperatuur van L3 wordt hoger, dus weerstand van L3 wordt groter, dus spanning over L3 wordt groter dan 12V.

Zonder de U,I-karakteristiek van deze PTC kun je deze vraag verder niet beantwoorden, want je weet niet hoe snel de weerstand toeneemt (P=U^2/R, U groter maar ook R groter, dus je weet niet wat P doet). In praktijk zul je bij een lampje op het eerste stuk van de U,I-karakteristiek zitten, waar de weerstand maar langzaam toeneemt, zodat ook I toeneemt, en dus P groter wordt. Bij grotere spanning neemt de weerstand van een PTC echter explosief toe, en daalt de stroomsterkte! 
Het antwoordmodel (U groter, dus P groter) is hier veel te kort door de bocht. Die redenering is geldig voor een ohmse weerstand, maar is allerminst vanzelfsprekend voor een PTC waar ook de weerstand groter wordt.

Door: Bart Grendelman | Datum: Zaterdag 16 mei 2026, 22:36 uur

Twee keer zoveel stroom door L3 betekent dat die weerstand meer omhoog gaat dan die van L1 en L2. Daar komt dan meer spanning op te staan en dus meer vermogen. Vind je dat te kort door de bocht, dan is er nog U^2/R voor vermogen (beiden steigen en dus ook P) en heb je I nog steeds niet nodig om de vraag te kunnen beantwoorden. Toch?